De Onderwijsraad is het adviesorgaan voor de regering op het terrein van het onderwijs. De raad adviseert over de hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied van het onderwijs. Hij neemt een onafhankelijke positie in zowel ten opzichte van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en dat van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit als ten opzichte van het onderwijsveld. Niet alleen adviseert de raad – gevraagd dan wel ongevraagd – de betrokken bewindslieden, maar ook de Eerste en Tweede Kamer kunnen om advies vragen. Ook gemeenten kunnen in speciale bij de wet geregelde gevallen een beroep doen op de Onderwijsraad.
En dat is fraai. Wie van u herinnert zich in deze niet 11 juli 2002? Nederland zuchtte onder een regime van somber, nat zomerweer. Op de burelen van de Onderwijsraad klonk echter gejuich. Vaste grond onder de voeten werd gepubliceerd. Een verkenning inzake artikel 23 Grondwet van wel 141 pagina’s diep. Iets meer dan 8 jaar later lezen wij dit in het Reformatorisch Dagblad.
Let wel, de raad gaat : “een gezaghebbende interpretatie opstellen van artikel 23 van de Grondwet, over de vrijheid van onderwijs.”
Enigszins (?) merkwaardig: “ Dat meldde de raad vrijdag in een advies aan de Tweede Kamer over aanscherping van het inspectietoezicht op nieuw bekostigde scholen”.
Ter Uwer wille zal ik het embargo van de Onderwijsraad omzeilen en u alvast de titel van de ongetwijfeld gezaghebbende publicatie nu reeds meegeven: Roepende in de woestijn.