Onderzoek NRC naar de Jeugdhulp

Onderzoek NRC naar de Jeugdhulp

NRC Weekblad van deze week staat weer bol van de kennelijk onoplosbare problemen in de jeugdhulp. Op de website van het NRC staan de interviews helemaal uitgewerkt. Je zou toch denken dat een denktank met zoveel informatie deze week met een oplossing zou moeten kunnen komen.

Helaas, ….. waarschijnlijk draagt het alleen maar bij aan de al jaren heersende verwarring. Klik naar de website van het NRC.  Onder andere bureau Alphen aan den Rijn is onderwerp van het onderwijs. Conclusie: jeugdhulpverleners werken zo dicht mogelijk langs elkaar heen.

Onderstaand een van de 30 interviews door het NRC, in dit geval met professor ‘Opvoedkunde’ Jo Hermanns. Daar staat in de kern alles in:

,,Het gaat niet de goede kant op. Het programmaministerie ligt stil. Lokale initiatieven worden niet financieel en inhoudelijk gesteund door het ministerie. Alles wordt aan provincies, jeugdzorg en gemeenten overgelaten, maar die komen er niet uit. De minister laat het afweten. Het veld zit te wachten op sturing van het departement. Honderden bureaus vinden zelf het wiel uit wat een centrum voor jeugd en gezin is. Er zijn heel veel verschillende modellen, de richting is weg. ,,

,,Van ontkokering en meer eenheid is geen sprake. Hulp is ver weg en niet dicht bij huis en dus niet effectief. De belangrijkste boodschap in 2005 (Operatie Jong) was al: doorbreek de verkokering, zorg voor samenwerking tussen provinciale hulp, lokale hulp en hulp uit de zorgverzekeringswet (ggz) en de awbz (lvg). Maak daar één systeem van. Rouvoet wilde dat niet. Maar hoe krijg je in de centra voor jeugd en gezin dan mensen die echte hulp te geven en niet alleen voorlichting? Nu is het uitzonderlijk als drie partijen samenwerken.

,,Rouvoet had provincies moeten verplichten geld en professionals naar de centra voor jeugd en gezin te brengen. Dat is cruciaal. Maar dat vergt politieke moed. Er worden nu centra opgericht voor hulp, maar 90 procent van de cliënten die met problemen in het centrum voor jeugd en gezin komen, wordt doorverwezen. Daardoor is het weer een extra schakel in de keten die maakt dat jongeren en hun ouders nog langer op hulp moeten wachten. Er zouden hulpverleners direct in of rondom het centrum voor jeugd en gezin beschikbaar moeten zijn.

,,Hulpprogramma’s zijn immers alleen effectief in de eigen leefomgeving van de jongeren. Dat blijkt uit alle onderzoeken. Dáár hadden we de centra voor jeugd en gezin voor bedoeld. Veelplegers, kinderen uit multi-problem gezinnen en jeugdcriminelen schieten niets op in een jeugdgevangenis. Er gaan miljarden op aan niet werkende vormen van hulp. Het is een bodemloze put. Rouvoet heeft geen visie en geen geld. De hulp is nou op grote afstand van het huis van de kinderen met problemen. We exporteren jongeren ver weg. Ze moeten naar internaten, ambulante therapie (ggz) in behandelkamers. Maar bij kinderen in problemen ontbreekt het niet alleen aan een goede opvoeding, er is ook een chaos in het huishouden, er zijn schulden, of vader zit aan de drank. Dat zié je niet in die behandelkamers.

,,Daarom moeten hulpverleners naar dat gezin om te kijken hoe het er thuis aan toe gaat. Laat desnoods de financiering van de jeugdzorg bij de provincie, maar de uitvoering van de hulp moet dicht bij de mensen zijn. De minister zegt nu: zoek het maar uit. Lokale initiatiefnemers worden heel weinig gedekt door het beleid van de rijksoverheid. Soms gaat het fantastisch, maar dat komt door het enthousiasme van een wethouder of een gedeputeerde. Landelijk had er veel meer uitgehaald kunnen worden. Rouvoet geeft geen ondersteuning. Gemeenten betalen miljoenen belastinggeld aan allerlei adviesbureaus als Berenschot die een eigen draai geven aan de oprichting van een centrum voor jeugd en gezin omdat het programmaministerie het laat afweten.

,,Neem het aantal onder toezichtstellingen, dat is sterk toegenomen. Dat is hetzelfde patroon. Na constatering van een probleem zijn er geen middelen voor hulp, dus wordt het kind in een instelling geplaatst, maar dat lost niets op. Een gemiddelde onder toezichtstelling duurt daardoor ook jaren. De bedoeling was maximaal een half jaar. Het systeem loopt vast. Er is geen hulp daar waar het werkt. Dat is de kern van het probleem. Iedereen weet wel hoe het beter zou moeten, maar het gebeurt toch niet. Instellingen hebben institutionele belangen. Professionals verschuilen zich achter het medische model omdat ze zo zijn opgeleid. Zo houdt iedereen het systeem in stand.

,,De wachtlijsten blijven oplopen, dat is een onoplosbaar probleem. Je kan het alleen tijdelijk oplossen omdat het huidige systeem is gebaseerd op het exporteren van kinderen. Daardoor stoppen de groeicijfers niet en zullen de wachtlijsten een probleem blijven. Nu gaat er weer meer geld naar de wachtlijsten, maar dat betekent nog minder geld naar de centra voor jeugd en gezin.

,,De problemen worden erger want er is steeds meer nadruk op signalering van problemen komen te liggen, zonder dat effectieve hulp aangeboden kan worden. Er worden heel veel problemen bij kinderen gesignaleerd, maar er is weinig directe hulp. Er is een nieuwe toevlucht van kinderen in het zorgcircuit. Het aantal kinderen daarin is extreem.

,,De bedoeling was juist dat ze er niet in zouden komen, maar dicht bij huis hulp zouden krijgen. Maar de centra voor jeugd en gezin gaan daar juist aan bijdragen als ze niet in staat zijn de hulpvraag te beantwoorden. Je krijgt een extra verwijsmachine en dat is heel tragisch. Er zit een enorme druk op de achterliggende voorzieningen, de gespecialiseerde jeugdzorg. In vier jaar tijd zijn er 60 procent meer kinderen in de ggz gekomen. Een gezin in de problemen moet een steunpilaar krijgen die vanuit het centrum voor jeugd en gezin werkt en die er andere deskundige mensen bij kan halen. De problemen worden erger als er wel gesignaleerd wordt en er niet effectieve hulp geboden kan worden. De signalering wordt verheven tot een soort opvoedpolitie.”